Article
0 comment

In De Vetten Os en ander Vlaams net over de grens

Stappen in de voetsporen van je grootvader. Allemaal goed en wel, maar hoe organiseer je dat in de praktijk? Vorige week testte ik een nieuw systeem uit. Het gaat als volgt: met de auto naar het eindpunt rijden, fiets aflossen, terugrijden naar het vertrekpunt van de etappe, te voet stappen tot het eindpunt, met de fiets terug naar vertrekplaats. Ingewikkeld? Het vraagt vooral tijd, maar heeft twee voordelen: ik moet geen beroep meer doen op iemand om me te brengen en terug te halen én fysiek is het haalbaarder om na bijvoorbeeld 8 km stappen met de fiets terug te keren dan nog eens evenveel kilometers te voet af te haspelen. Ik ben wel wat sportief maar tenslotte ook geen twintig meer.

Handige knooppuntenkaart

Handige knooppuntenkaart

Het is de vluchtroute van mijn grootvader Camille tijdens de Groote Oorlog, die ik stap. Eerder wandelde ik al van Wijtschate naar Dikkebusvijver, van Dikkebus naar de verdwenen herberg Den Ondank in Westouter, daarna een hele korte wandeling van Den Ondank naar herberg De Kroone in Westouter – ook al een niet meer bestaand café – en de vorige tocht bracht me van Westouter naar de Catsberg. In 1915, eerste jaarhelft, verbleef Camille in Noord-Frankrijk, tijd dus 100 jaar na deze feiten, voor een nieuwe etappe. Eindpunt was dit keer de boerderij in Steenvoorde, waar Camille met het gezin als vluchteling verbleef. Ik was eerder al op bezoek op die vierkanthoeve, bij Jeanne-Marie, maar had de weg er naar toe nog niet te voet afgelegd.

Uitstelgedrag
Normaal gezien beschrijf ik de etappe die ik heb gewandeld nog dezelfde week. Voor het eerst echter, kost het me moeite, want ik had een behoorlijk verlaten en onwennig gevoel tijdens de tocht. De etappe begon op de Catsberg met als eindbestemming dus Steenvoorde.

Muur abdij Catsberg richting Godewaersvelde

Muur abdij Catsberg richting Godewaersvelde

Het begon goed: ik daalde gezwind de helling af richting Godewaersvelde en volgde hierbij de hoge bakstenen muur van de abdij. De lentezon en het uitdagend voorjaarsgetjirp van de vogels, een prachtig panorama aan de andere kant van de weg, het zou een fijne wandeling worden. Waar de muur ophoudt, hoorde ik echter een storend geluid op de achtergrond, ik kon het niet toewijzen. Met de knooppuntenkaart in de hand, stapte ik aan een stevig tempo verder: ik wandel altijd ’s morgens vroeg en heel erg warm was het nog niet. Ik besloot de kortste weg te nemen, mijn grootvader – die op de vlucht was voor de oorlog – zal niet de tijd hebben gehad om de mooiste paden te nemen.

Op weg naar Steenvoorde

Op weg naar Steenvoorde

De stilte van Heuvelland gewoon
Het gebrom in de lucht zwol aan. Wat was dat toch? Ik ken Steenvoorde amper, we reden er al wel dikwijls voorbij met de auto. Plots wist ik het: de autoweg A25 dwarst Steenvoorde. Die autoweg maakt de verbinding tussen Duinkerke en Rijsel en zorgt er ongetwijfeld voor dat veel inwoners van Steenvoorde heel snel of vlot op het werk geraken. Maar wat een lawaaihinder wordt hierdoor veroorzaakt! Na het afdalen van de Catsberg, kom je terecht in een vrij vlak landschap, met weinig groen. Het lawaai strekt dan ook bijzonder ver. Desolate schoonheid was de term die bij me op kwam. Ik stapte Godewaersvelde binnen dat een Village patrimoine blijkt te 20150407_bord Godezijn, dit is een label gelijkaardig aan het Charmante dorp label in de Westhoek: http://www.frans-vlaanderen.be/village-patrimoine.
Het heeft inderdaad wel charme, het dorp. Een mooi marktplein, en bovenal: sporen van de tijd waarin het dorp behoorde tot Vlaanderen.

 

Potjesvlees bestellen in het Vlaams
Midden in het dorp kwam ik voorbij het eerste element dat me er op wees dat ik aan het stappen was door Frans-Vlaanderen:

Hoe zou men dit uitspreken als men franstalig is?

Hoe zou men dit uitspreken als men Franstalig is?

'potje vlisj' uitgesproken?

‘potje vlisj’?

een echte Vlaamsche beenhouwerie, met de klinkende naam In de Vetten Os. Gesloten weliswaar en niet omwille van de sluitingsdag. Iets verder kon ik helemaal niet meer om de Vlaamse roots van de streek heen. Een uitdagend bord in de vorm van een wapenschild vraagt om een gesprek: Hier spreekt men Vlaams. Zou ik aanbellen en de proef op de som nemen? Zo’n durver ben ik ook weer niet, dus het blijft bij deze foto:

Godewaersvelde, een minimale kennis van het Vlaams is al nodig om je eigen dorpsnaam te kunnen uitspreken.

Godewaersvelde, een minimale kennis van het Vlaams is al nodig om je eigen dorpsnaam te kunnen uitspreken.

Buiten de dorpskom van Godewaersvelde, overviel me een verlaten gevoel. Net goed, dacht ik: je wil perse de weg stappen die je grootvader als vluchteling voor de Groote Oorlog aflegde, zo voel je toch een heel (maar dan ook héél) klein beetje hoe het moet zijn geweest. Er was wat ochtendmist – of was het smog van de A25 – aan het sluimeren over de akkers en ik zag niet eens de kerk van Steenvoorde. De knooppuntenkaart had ik al lang weggeborgen, het netwerk op de kaart die ik heb, houdt op in Godewaersvelde.

Even het noorden kwijt

Even het noorden kwijt

Voor het vervolg van de weg had ik wel een print screen mee van het wegennet rond Steenvoorde en omgeving, zo onvoorbereid ga ik nu ook alweer niet op weg. Maar als je aan een kruispunt geen straatnaambordjes vindt, is het even gokken. Ik koos gelukkig de juiste richting (en reed eerlijk gezegd verkeerd bij het terugkeren met de fiets). Het probleem was dat ik over die A25 moest geraken. 20150407_TegelstraeteNiet elke landelijke weg laat dit toe. Ik kwam voorbij het Bois des religieuses – geen idee waarom dit bosje zo noemt – en zag wat verder opnieuw sporen van de Vlaamse periode. De TegelStraete.


Bij Jeanne-Marie
De boerderij waar Camille samen met zijn ouders een aantal weken verbleef in 1915, doemde op in de verte. Jeanne-Marie, huidige bewoonster van de boerderij, wachtte me op. Een paar uur voordien had ik in haar voorplekke mijn fiets geparkeerd. Jeanne-Marie – bijna negentig jaar – heeft de winter goed doorstaan. Ze heeft wat koud gehad vertelde ze, maar ze is niet ziek geweest, geen enkele keer. Enkel wat artritis. Van op de ‘stikn’ te werken, verklaarde ze me. Ze heeft pijn in haar rug, vertelt ze, maar ze buigt ondertussen als een knipmes om de kit kolen op te nemen waarmee ze de kachel aanvult.
Ze spreekt Frans uiteraard, maar doorspekt met Vlaams dialect. Ze spreekt ook van ‘le boer’ in plaats van het effectieve Franse woord voor boer te gebruiken. Nog een rasechte Frans-Vlaamse. Ik legde haar uit welke weg ik had gevolgd van de Catsberg naar Steenvoorde aan de hand van de foto’s op mijn smartphone. Bepaalde plaatsen herkent ze, maar de meeste niet, zelfs niet dichtbij haar woonst. Ik ben niet geboren en niet opgegroeid in Steenvoorde, vertelt ze, ik ben getrouwd en heb heel mijn leven hard gewerkt op de boerderij. Ver is ze nooit geweest, ze had zelfs geen fiets en een auto heeft haar echtgenoot nooit gewild. Ze lijkt dit allemaal niet erg te vinden, en is – voor zover ik haar ken – heel gelukkig in haar vrijheid op de boerderij. Ze is niet van plan ooit naar een bejaardentehuis te gaan. Bij het naar buiten gaan valt de pijl in het hoefijzer bij de deur me op, alsof de maker het symbool heeft willen benadrukken: hier moet je geluk brengen. Bijna negentig jaar en een hele winter niet ziek zijn, als dat geen geluk betekent?

20150407_hoefijzer