Article
0 comment

Op zoek naar de verdwenen zandgroeve

Uit het handgeschreven verslag van mijn grootvader Camille Tiersen

Uit het handgeschreven verslag van mijn grootvader Camille Tiersen

Ik heb het lang uitgesteld, naar de Zwarteberg rijden om te kijken waar die zandgroeve was die mijn grootvader vermeldt in zijn verslag over 100 jaar terug. Dat vind ik gemakkelijk, dacht ik. Een hap uit de berg. Grote steenblokken ergens langs de weg als getuige van toen. Een zanderige straat. Een infobord zoals er zoveel te vinden zijn over het verleden. Viel dat even tegen!
Niets. Geen enkel spoor. Ja, de Zwarteberg, le Mont Noir vanaf de grens, is een berg zoals wij de heuvels in ons vlakke land graag noemen, maar waar werd er zand en tijdens WOI zelfs stenen gewonnen voor de heraanleg van de wegen?

Bord in camping op Mont Noir (FR) - één van de weggetjes op de camping verwijst naar wat het vroeger was.

Bord in camping op Mont Noir (FR) – één van de weggetjes op de camping verwijst naar wat het vroeger was.

Er is een camping op de Mont Noir, de Franse kant van de berg dus. De camping ligt op de zuidelijke helling, mooi verscholen tussen het bomenrijk en voor een groot deel omringd door een hoge houten schutting. Zonder caravan of tent een camping binnen gaan: het is als naar een skioord trekken zonder ski’s, je hebt het liefst je eigen materiaal mee. Ik deed me voor als geïnteresseerde buitenlandse verblijfstoerist (vergeef me, campinguitbater, ik heb niets kwaads in de zin) om de camping te verkennen. Ik ben een ervaren kampeerder en herkende de vakantieplaats dadelijk als een terrassencamping. Voor wie op reis eerder een hotelkamer prefereert: zo’n camping is bijzonder aantrekkelijk want gelegen op een helling met prachtig uitzicht voor iedereen dank zij de vlakke standplaatsen in terrasstructuur, zoals rijstvelden, deze laatste op veel hogere bergen dan. Ik daalde goedgezind de verschillende echt wel sterk hellende laantjes af, als een speurhond sneller stappend omdat ik voelde dat ik mijn doel naderde. Als het regent is het hier gezellig, dacht ik. Helemaal beneden, vond ik wat ik zocht: een bordje met ‘Chemin de la Sablière’ (zie wat hoger). Ik had de locatie gevonden of toch op zijn minst de weg er naar toe.

En ik vond mijn hap uit de berg:

Hap uit de Mont Noir in de camping.

Hap uit de Mont Noir in de camping.

Ik ben geen landschapsexpert, maar geef toe dat een niveauverschil als dit er niet natuurlijk uit ziet. Zeker niet in onze contreien.
Ik was op de goede weg. De klim naar boven richting ingang camping, kostte me behoorlijk wat moeite op die warme augustusdag van 2016. Puf, puf, de Zwarteberg is steiler dan ik dacht.

Soms weet ik niet van ophouden. Een karaktertrek die thuis niet altijd wordt geapprecieerd. Maar een volhoudertje zijn, heeft ook zijn voordelen. Gesterkt door een frisse Orangina met 3 zalig grote ijsblokken – de ober van de camping wist verder niets extra te vertellen over de oorsprong van de camping – besloot ik de Mont Noir verder te exploreren. Op buitenlandse missie. Op 200 meter van de grens.

Huis aan de voet van de Mont Noir waar vroeger één van de groeves was.

Huis aan de voet van de Mont Noir waar vroeger één van de groeves was.

Helemaal beneden tegen de weg die naar Bailleul loopt, vond ik een huis met als naam La Sablière. Moet er nog zand zijn? Heb ik het gevonden of niet? Spijtig, de bewoners waren niet thuis, wie weet ga ik ooit nog eens terug.
Heel dicht bij het huis ligt een Commonwealth War Graves Commission begraafplaats. Mont Noir Military Cemetery. Met Britse en Franse soldaten. Ik informeerde me inmiddels bij de Commissie (bedankt Nele!) en ontving gedetailleerde info. De begraafplaats werd aangelegd tussen april en september 1918. De belangrijkste zin uit het document is voor mij echter:
‘The cemetery covers an area of 1,573 square yards, and it is enclosed by a low rubble wall. It lies in a disused sandpit.’

Mont Noir Cimetière, St. Jans Cappel, FR

Mont Noir Cimetière, St. Jans Cappel, FR

De begraafplaats ligt dus in een buiten gebruik gestelde zandput oftewel zandgroeve. Waar mijn opa Camille stenen kapte als tiener in 1916. Als broodwinning.

Niet lang daarna, leerde ik toevallig mensen kennen uit St. Jans-Cappel. Colette en Pascal. Heel sympathieke mensen. Colette is afkomstig uit Heuvelland en spreekt na vele jaren op Franse bodem te hebben gewoond, nog altijd sappig Vlaamsch. In St. Jans-Cappel is het oud Vlaamsch nog levendiger dan ik dacht. Ik ben op hun uitnodiging inmiddels naar een evocatie over WOI op de Zwarteberg geweest. In het Frans en het Vlaamsch. Schitterend!
Colette bracht me in contact met Jean, eveneens van St. Jans-Cappel die veel over de Sablières weet, want hij heeft er nog gewerkt in het bos, coupes de bois zoals hij het noemt.
Jean heeft me geschreven dat er twee groeves waren op de Zwarteberg: een zandgroeve op de route naar Bailleul en een kleinere groeve op de weg van de Mont Noir naar St. Jans. Het zand was niet goed genoeg om er ook maar welke constructie dan ook mee te maken, wist hij me te vertellen. Dank aan Jean voor al de uitleg alsook zeker voor de vele kopies van postkaarten die hij me doorstuurde. Dank ook aan mijn collega Herman, al jarenlang postkaartverzamelaar, voor de kwaliteitsvolle beelden.
Tot zover mijn verslag over de zandgroeve. Weeral een stukje aan de puzzel toegevoegd. Het algemene beeld komt in zicht. Op naar het volgende puzzelstukje: Westouter en gehucht De Brieke.

Voor liefhebbers van oude foto’s, hier volgt een mini collage ‘La Sablière du Mont Noir’.

Sablière Le Mont Noir, FR

Sablière Le Mont Noir, FR

dambre-herman-sabliere-2

Sablière Mont Noir, bemerk de lastdieren rechts

Cimétière Mont Noir in aanbouw in de Sablière

Cimétière Mont Noir in aanbouw in de Sablière

 

Article
0 comment

Foto’s uit de oude doos

We leven volop in het digitale tijdperk, waarbij we constant foto’s nemen om deze vooral direct online te delen. In de eerste helft van de 20e eeuw was fotograferen helemaal anders. Het nemen van de foto werd zorgvuldig ingepland of vond plaats bij een grootse familiale gebeurtenis, zoals een huwelijk. Men trok zijn beste kleren aan, de das werd gestrikt bij de heren, het gouden kettinkje diende duidelijk zichtbaar te zijn bij de dames, de haren werden zorgvuldig gekamd en met een voorzichtige glimlach op het gelaat liet men zich vereeuwigen.
Heerlijk is het, om deze foto’s te bekijken van familie of zelfs van onbekenden. De mode, de haarsnit, je kan het er allemaal uit aflezen.
En nog fijner is het, als er foto’s opduiken die je voordien nog nooit had gezien. Met grote dank aan Herwin Vangaever, voor de interesse in mijn blog én voor al het werk om deze foto’s op te zoeken, in te scannen en door te sturen.
De grootvader van Herwin, was de broer van mijn grootmoeder Agnes.
Voor al wie van foto’s uit de oude doos houdt, kijk en geniet:

Camille Tiersen en Agnes Doheyn, wellicht rond 1930 gefotografeerd.

Camille Tiersen en Agnes Doheyn, wellicht rond 1930 gefotografeerd.

Camille Tiersen met echtgenote Agnes Doheyn en zoon Marcel Tiersen - 28 september 1948

Camille Tiersen met echtgenote Agnes Doheyn en zoon Marcel Tiersen – 28 september 1948

En last but not least: Camille de garde.

Camille Tiersen, veldwachter van Wijtschate van 1929 tot 1965

Camille Tiersen, veldwachter van Wijtschate van 1929 tot 1965

Article
0 comment

Al zo’n zeventien maanden van huis weg

Ik heb een nieuw gadget. Zo’n sporthorloge waarbij het uur lezen allerminst van belang is. Voortaan worden al mijn stappen geteld, wordt mijn hartslag gecontroleerd en mijn verbruikte calorieën afgewogen. De (wandel)routes die ik volg, kunnen ook via GPS worden geregistreerd. Vanmorgen heb ik het apparaat ‘misbruikt’.
Ik vroeg me namelijk af: waar zat Camille vandaag, maar dan honderd jaar geleden, en ik had zin om eens de volledige route te volgen die hij tot begin 1916 al had afgelegd. Onmogelijk te voet in één dag te doen dus zette ik de GPS registratie van mijn sporthorloge op AAN, stapte in mijn auto en liet mijn rondrit op die manier registreren. Een creatief gebruik van mijn sporthorloge, zonder meer.

Het is speciaal uiteraard, dat ik een handgeschreven verslag heb van en door mijn grootvader, met de route die ze namen en de opsomming van hun verblijfplaatsen tijdens de Groote Oorlog.
Van 1914 tot en met hun terugkeer in 1920, weet ik steeds waar ze ongeveer verbleven, maar dan telkens 100 jaar terug.
En terwijl sommige mensen het misschien al wat ‘moe’ zijn, de herdenkingen rond die wereldoorlog, besef ik meer en meer: we zijn nog niet eens aan de helft van dat lange wereldconflict.

Mijn rondrit van vandaag startte in Wijtschate, in de Tuinstraat. Ik reed via Dikkebus naar De Klijte, vervolgens naar Reningelst, Westouter, om via de Boeschepeberg in Steenvoorde te belanden. Calecanes bij de grens en Godewaersvelde leidden me terug richting België tot net niet terug in eigen land, met eindmeet op de Catsberg.
En daar woonde hij, Camille, zo’n honderd jaar geleden: bij Pieter Morel, in één van de huizen op de Catsberg, met drie ménagen bij elkaar, het was al hun 6de verblijfplaats sinds ze uit hun dorp vertrokken:

Camille tekst over Catsberg 2

Wat verder schrijft Camille – trouwens inmiddels 14 jaar geworden (vertrokken als 12-jarige in 1914):

‘Mijn Papa wierd dikwijls afgehaald op het werk, en naar Poperinge overgebracht bij het hoofdkwartier van het engelsch leger, inlichtingen te verstrekken over de ligging en het bestaan van Wijtschate. Dit geschiede per auto, op het werk afgehaald en terug gebracht.’

Severin, de vader van Camille, was vóór de oorlog garde van Wijtschate. Veldwachter Severin werd, volgens de uitleg door Camille, dus ingeschakeld om inlichtingen over het dorp aan het Britse leger te verschaffen.
Of de eenvoudige dorpsveldwachter dit vrijwillig deed of hiertoe verplicht werd omwille van zijn functie, is niet meer te achterhalen.. Maar dat de veldwachter uit Wijtschate een bescheiden rolletje speelde in de bevrijding van zijn dorp, later tijdens de Mijnenslag van 1917, is denkbaar. Vanaf 1916 maakten de Britten immers plannen voor ondergrondse aanvallen op de heuvelrug van Mesen-Wijtschate.
Het verslag van mijn grootvader uitpluizen: het blijft bijzonder boeiend om er steeds de connectie uit te halen met de geschiedenis zoals we die op vandaag kennen.

 

Article
1 comment

Maak kennis met Agnes, de vrouw van Camille

Beste bloglezer

Met bijna 1.000 zijn jullie momenteel: bloglezers die via deze blog al één of meerdere berichten over mijn speurtocht naar het lokale verleden lazen. Het doet plezier dat zoveel mensen – net als ik – ook wel eens een individueel verhaal willen kennen.
Over geschiedenis lezen is namelijk één zaak, dit toegespitst zien op het echte verhaal van iemand die het effectief heeft meegemaakt, maakt het zoveel bevattelijker.

Uit dank voor zoveel interesse en bij wijze van intermezzo, beste bloglezer, dook ik in de familiale foto-kast, zoals iedereen die wel heeft. Misschien zijn dit bij u een paar dikke albums, zelfs nog met zwartwit foto’s met zo’n gekartelde rand, netjes in het fotoboek gekleefd met ouderwetse ‘hoek’ stickertjes.
Bij mij is het anders: mijn vader was een dia fanaat. Het vroeg wel een half uurtje werk op zijn minst om het scherm met bijhorende projector op te stellen. Alsook om het op te starten: ‘hoe werkt dit ding ook alweer’.
Gelukkig bestaan er nu handige toestellen om dia’s in te scannen. De kwaliteit van zo’n ingescande dia is niet optimaal, onderstaande dia/foto is dan ook al ruim 45 jaar oud.

Maak kennis met Agnes, de echtgenote van Camille. Deze foto met hoog vintage gehalte toont hen in de ‘voorplekke’ van hun huis, de ‘beste kamer’. Dergelijke foto’s (dia dus in feite) werden genomen met Nieuwjaar of tijdens de jaarlijkse kermis, waarbij kinderen en kleinkinderen bij opa en oma op bezoek gingen en een goed stuk vlees – bijvoorbeeld rosbief of koetong in tomatensaus – kregen voorgeschoteld met gebakken aardappeltjes en groenten. Maar met nadruk op het goede stuk vlees, niet op de groenten. (Op andere dagen werden wij in de keuken ontvangen).
De vintage radio, het bijhorende behangpapier en het vintage koffiekannetje maken deze foto compleet.
Agnes was een heel lieve dame. Ze was haar hele leven huisvrouw en zij en Camille vormden één geheel in woorden en daden. Ze was expert in het ‘inleggen’ van groenten: in de zomer was ze urenlang bezig met het steriliseren van groenten uit Camille’s groetentuin. De grote gietijzeren ketel op het gasfornuis zorgde voor enorme stoomwolken met als gevolg bedampte keukenramen. Omwille van haar reuma, hielp ik geregeld de bokalen met groenten naar de kelder dragen.
De foto moet gemaakt zijn op een werkelijk belangrijke dag, want ze draagt haar beste ‘schorte’ (voorschoot). Ik zag haar zelden zonder het nuttige kledingstuk.

Camille en Agnes in 'de voorplekke' van hun huis (dit was de kamer voor speciale gelegenheden).

Camille en Agnes in ‘de voorplekke’ van hun huis
(dit was de kamer voor speciale gelegenheden).

Inmiddels heb ik mijn bezoek aan Melle (FR) verwerkt. Het was één en ander – emotioneel – om als eerste familielid na zo’n 95 jaar de stad te bezoeken waar je familie tijdens WOI verbleef.
Nu spitst mijn onderzoek zich toe op Westouter. Camille woonde daar geruime tijd, ik ben o.a. op zoek naar de exacte plaats waar ze hun barak bouwden. Wordt vervolgd dus, deze blog.
Vintage groeten uit de Westhoek.

Article
0 comment

Een landkaart met enkel spoorlijnen, en één enkel stadje onderlijnd, zo begon mijn zoektocht

Kaart Frankrijk Camille

Kaart van Frankrijk met enkel de spoorwegen. Het stadje Melle is met potlood onderlijnd. Deze kaart bewaarde Camille zijn leven lang.

Beste blog-lezer(es)
Sluit je ogen – nadat je deze paragraaf hebt gelezen uiteraard – en beeld je in: je bent een jongen van zestien, je verhuist al meer dan drie jaar van hier naar daar want het is oorlog en je huis, zelfs je hele dorp – dat heb je inmiddels horen vertellen – is kapot. Je kan niet meer naar school en in plaats daarvan doe je klusjes. Je ouders en je oudere zusjes werken, ze nemen elke karwei aan opdat jullie geen honger zouden hebben. Plots word je verplicht te vertrekken omdat het nog gevaarlijker wordt in de streek, een nieuw offensief begint en de plaats waar jij op dat moment als vluchteling verblijft, wordt rechtstreeks bedreigd. Het hele gezin wordt op de trein gezet, waar je gelukkig niet alleen bent: alle wagons (beestenwagons!) zitten vol vluchtelingen, zo’n 1200 in totaal.
Zelfs pastoor Achiel Van Walleghem uit Dikkebus is mee met de trein, de pastoor die zo dicht en zo lang mogelijk bij zijn dorp bleef en een dagboek bij hield over het gebeuren. Ook hij moet uiteindelijk weg, hij reist mee als aalmoezenier van de vluchtelingen. Jawel, het vertrek en de reis met de trein wordt in zijn dagboek uitgebreid beschreven! Noch je ouders, noch jijzelf, weten waarheen de rit jullie zal brengen.
O ja: het is lente, het is april 1918. De vierde Slag bij Ieper gaat beginnen.

Men kan het zich niet inbeelden
De trein vertrok uit Abeele (FR) en reed via Rouen – waar pastoor Van Walleghem uitstapte en ruime tijd verbleef – richting Zuid-Frankrijk.

Marktplein Melle

Marktplein Melle 2015

De eindbestemming van de 16-jarige – mijn opa Camille – was uiteindelijk Melle, een Frans stadje dat nu zo’n 4.000 inwoners telt. Melle ligt op ongeveer 650 km van Ieper, ter hoogte van Niort. Men kan het zich niet inbeelden: hoe het moet hebben gevoeld in een wildvreemde stad toe te komen alwaar er van je verwacht wordt een nieuw leven op te bouwen, al dan niet tijdelijk.

Begin september was ik in Melle! Ik wilde eindelijk wel eens zien waar mijn

De hallen van Melle op het plein. Gebouwd in . Camille moet er ontelbare keren voorbij zijn gewandeld.

De hallen van Melle op het plein. Gebouwd in 1903 . Camille moet er ontelbare keren voorbij zijn gewandeld want het is vlak bij hun woning.

familie heeft gewoond. Wachten tot 2018 – exact 100 jaar later – zou hoogst onbeleefd zijn geweest tegenover de mensen in Melle die een en ander voor mij opzochten. En ik wilde ook ter plaatse gaan kijken om uit te zoeken waarom ze zijn teruggekeerd. Het heeft misschien niet veel gescheeld, of Camille ontmoette er een Frans meisje en bleef er wonen. Maar zoals je ziet: deze blog is in het Nederlands, ze namen dus wel degelijk later de draad weer op in hun dorp Wijtschate, ruim na het einde van WOI.

Het verdwenen spoortraject
Even dacht ik eraan met de trein naar Melle te reizen, letterlijk in de (voet)sporen van mijn grootvader. Met de trein geraak je er echter niet meer: waar de sporen liepen, loop je nu enkel joggers tegen het lijf. Het kleine station is gesloten en de spoorlijnen zijn vervangen door een wandelpad. Ik vond héél gemakkelijk het oude station van Celles-sur-Belle terug, door Camille uitgebreid beschreven in zijn vluchtverhaal. Bij dat station, net voor Melle, werd namelijk eindelijk duidelijk voor hen waar ze naar toe gingen.

Celles-sur-Belle, aan elk station hangt de naam, ook nog te zien in 2015

Celles-sur-Belle, aan het oude stationsgebouw hangt nog het naambordje dat de reizigers duidelijk maakte in welk station ze waren.

Aan de Rue de la Gare (zie je? gemakkelijk te vinden!) in Celles-sur-Belle is het oude stationsgebouw omgevormd tot de lokale muziekschool. Om 100% zeker te zijn, heb ik navraag gedaan bij de plaatselijke toeristische dienst, tevens toegang van de mooie abdij van Celles-sur-Belle. De jongeman aan de balie bevestigde me dat er inderdaad muziek wordt gespeeld waar ooit het station was. Een 8-tal km voorbij dit stationnetje, ligt Melle.

Vroegere station van Celles-sur-Belle

Vroegere station van Celles-sur-Belle, nu de lokale muziekschool

Celles-sur-Belle, la gare, 2015

Celles-sur-Belle,  2015

 

 

 

 

 

 

 

Waar woonden ze?

Melle, Rue Saint Jean

Melle, Rue Saint Jean 2015

De innerlijke mens versterken is ook nodig.

De innerlijke mens versterken is ook nodig bij het speuren naar de geschiedenis van je voorouders.

Camille woonde in de Rue Saint Jean te Melle. Dat weet ik via de overlijdensakte van zijn zus Zoë (lees verder op de blog). De smalle straat ligt net achter het marktplein, dus pal in het centrum van de kleine stad. De huizen zijn typisch Frans: gecementeerd, beige of lichtroze van kleur.  Ik kan me absoluut niet voorstellen dat mijn grootvader met zijn ouders daar heeft gewoond. Camille, een honkvaste Wijtschatenaar, je kreeg hem met moeite een halve dag het dorp uit!
Spijtig genoeg ken ik het huisnummer niet van hun toenmalige woonst. Het heeft ook niet geholpen zowat twintig keer heen en weer te stappen door de straat: mijn opa was een brave jongen en heeft geen teken voor zijn nakomelingen nagelaten.
Geen graffiti op de muur of inkerving in een steen met ‘Ha! Je hebt het dan toch gevonden!’
Uiteindelijk heb ik het opgegeven te raden welk huis het zou zijn geweest en ben ik uitgeput op het terras neergestreken aan het eind van de straat. Geroosterde kip met een puree van zoete aardappelen, heel lekker. Ik had aanvoer van energie nodig, want het doet je toch wat, zo ver van huis, helemaal alleen in een ongekende omgeving rond te lopen, op zoek naar sporen van je voorouders.

Melle, Rue St Jean, maar welk huis?

Melle, Rue St Jean, maar welk huis?

Basisbehoefte: werken, een inkomen
De vader van Camille – Severin – was veldwachter in Wijtschate vooraleer de Groote Oorlog begon. In Melle werd hij entonneur in de lokale fabriek. Vrij vertaald: tonnenvuller.

Fabriek waar Severin werkte

Fabriek waar Severin werkte, oud gedeelte, foto 2015

De fabriek bestaat nog maar is uiteraard een totaal andere fabriek. Voor en tijdens de oorlog was het een distilleerderij van alcohol uit bieten. Tijdens de oorlog werd ook aceton geproduceerd in de fabriek, gebruikt door het Franse leger. Op vandaag is de fabriek uitgegroeid tot een chemische fabriek. In het voorbijrijden van de huidige fabriek, ten Noorden van Melle, kon ik nog een glimp opvangen van een oud gedeelte. Severin kon van de Rue St. Jean te voet naar het werk, het is maximum 2 km stappen.

Camille zelf werkte op verschillende boerderijen, waar hij bijvoorbeeld bieten kapte op het land. Later – naarmate hij ouder werd – verzorgde hij zelfs een heuse veestapel met 46 ossen. De dieren werden ook al gekweekt voor het Franse leger. En nog later ging hij mee met zijn vader naar de fabriek.
Zijn oudere zus Hélène werkte de hele tijd bij een slager. De boerderijen waar Camille werkte, heb ik niet met zekerheid terug gevonden. Spijtig dat hij geen straatnamen noteerde in zijn vluchtverhaal, wellicht wist hij deze niet meer toen hij aan 79-jarige leeftijd het verhaal neerpende.
Zijn tweede zus Zoë zorgde voor twee oudere dames. En het jongste zusje Anaïse werd koeienwachtster. Melle is op vandaag – behalve de grote fabriek – nog altijd een landbouwgebied. Misschien had Melle zich kandidaat gesteld om vluchtelingen op te nemen, omdat er veel werkkrachten in de landbouw nodig waren.

De moeder van Camille werkte een paar dagen per week bij de ‘sous-prefect’. Een ‘sous-prefectuur’ is een administratieve eenheid binnen een departement (bij ons vergelijkbaar met een arrondissement). Toen ik mij aanmeldde bij het stadhuis van

Bordje aan stadhuis van Melle: tijdens WOI huisde hier de sous-prefect

Bordje aan stadhuis van Melle: tijdens WOI huisde hier de sous-prefect

Melle – waar ik een afspraak had met de medewerker die me geholpen heeft een en ander terug te vinden (ik heb hem uiteraard uitvoerig en met een passend geschenkje met typisch Belgisch producten bedankt) – en dit bordje naast de hoofdingang las, sprong ik net geen gat in de lucht. In dat gebouw – nu het stadhuis – werkte mijn overgrootmoeder! Een vondst zonder opzoekwerk werd me zomaar voor de voeten gegooid, straf!

Sous-prefecture tijdens WOI

Sous-prefecture tijdens WOI, sinds 1930 het stadhuis van Melle

Het trieste verhaal van Zoë
Eén van de zussen van Camille stierf tijdens hun verblijf in Melle aan de Spaanse

Eglise Saint Pierre, Melle

Eglise Saint Pierre, Melle

griep, dit op 20 oktober 1918, een paar weken voor Wapenstilstand dus. Ze werd begraven in Cimetière Saint-Pierre, een paar honderd meter van hun woonplaats. Het kerkhof ligt op de helling bij Eglise Saint-Pierre, een fraaie Romaanse kerk, één van de drie kerken van Melle.
De medewerkers in het stadhuis van Melle gaven mij een plan mee van de indeling van het kerkhof, waarmee ik het oorspronkelijke graf van Zoë zou kunnen terugvinden. Grafplaats 483.

Cimetière Saint-Pierre, Melle

Cimetière Saint-Pierre, Melle

De begraafplaats is gestart halfweg de 19de eeuw. Het grootste deel van de grafconcessies is al ruime tijd verlopen. Bij de meeste grafmonumenten – of wat er nog van over blijft – staat een bordje dat het graf zal ontruimd worden, als de familie niet binnen x aantal tijd reageert. Als je deze begraafplaats binnenstapt, bekruipt je dan ook onmiddellijk een beklemmend gevoel: het uitzicht is van een intense droefheid, zelfs onder een stralend blauwe hemel. Ik had heel wat tijd nodig om de locatie te vinden van het graf van Zoë en ronddwalen tussen deze graven is behoorlijk deprimerend.
Uiteindelijk vond ik het graf, van de tante die ik nooit heb gekend. Als eerste familielid, stond er sinds 1920 eindelijk weer iemand van de familie bij haar graf. Tot mijn schande besefte ik dat ik niet eens een bloemetje mee had, zo intens was ik bezig geweest met allerlei plaatsen in Melle te zoeken. Het zijn uiteindelijk wat veldbloemen geworden. De plaats waar Zoë is begraven, is inmiddels ingenomen door een volgend graf.

Rustplek Zoë Tiersen

Rustplaats Zoë Tiersen te Melle

Het was niet al kommer en kwel

Cinema Melle, 2015

Cinema Melle, 2015

Eén van de eerste gebouwen die ik zag in Melle, was de plaatselijke bioscoop. Een mooi modern gebouw, leuk: een bioscoop in zo’n kleine stad. Uit het vluchtverhaal van Camille, wist ik dat hij soms op zondag naar de cinema ging. Hij schreef: ‘De zondag getrooste ik mij met naar de cinema te gaan, alzo tot de terugreis naar België, zijnde de 26 april 1920.’  Was dit moderne gebouw op dezelfde locatie geplaatst als waar Camille indertijd naar een zwart wit film ging kijken, naar een stomme film met Charlie Chaplin bijvoorbeeld?  Aan de ander kant van de stad, had ik al een mooi gebouw met gemengd klassieke gevel opgemerkt, en mijn oog was op dit detail gevallen: een Sonnette de nuit. Welk gebouw heeft een nachtbel? Een hospitaal?

Nachtbel Ancien Hôpital

Nachtbel Ancien Hôpital

Het ging inderdaad om het oude hospitaal. De medewerker van het stadhuis vertelde me dat tijdens WOI het hospitaal eerst werd gebruikt om vluchtelingen op te vangen en later ook om films te vertonen.

Gevel Ancien Hôpital, Melle

Gevel Ancien Hôpital, Melle, waar tijdens WOI films werden vertoond

Men mag het muntstuk niet altijd bekijken al de goede kant
Deze zin of is het eerder een zelf uitgevonden spreekwoord, schreef Camille neer als een soort samenvatting over hun verblijf in Melle. Hij bedoelt hiermee dat ze weliswaar ver weg van huis waren, maar werk en huisvesting hadden, en dat het al bij al nog mee viel (los van de dood van Zoë uiteraard).
In vergelijking met de andere plaatsen waar ze tot 1918 verbleven, was Melle de beste plek. Met grote dank dus aan de Mellois, zoals de inwoners van Melle worden genoemd.
Uiteindelijk keerde het gezin naar België, naar Wijtschate terug, waar Severin, de vader van Camille, zijn ambt als veldwachter weer opnam. Hij had maar een paar jaar meer te gaan tot aan zijn pensioen. Camille volgde later zijn vader als veldwachter op. Ik heb als kleindochter wellicht zo wat ‘speurdersgenen’ geërfd.
Mijn ‘speurtocht’ naar en in Melle leverde voldoende resultaat op, ik ben heel tevreden over mijn bezoek. En heb nu een bijzondere band met een stadje in Frankrijk, zo’n 650 km van hier.

 

 

Article
0 comment

Opening Gedachtenistuin Vluchtelingen Westouter

Opening Gedachtenistuin Westouter - 20 juni 2015

Opening Gedachtenistuin Westouter – 20 juni 2015

De Elfnovembergroep uit Heuvelland herdenkt sinds haar oprichting in 1977 de Groote Oorlog, dit steeds vanuit het standpunt van de gewone mens. Zo brachten ze het volksboek ‘Van den Grooten Oorlog’ uit, met verhalen van mensen die leefden in de frontstreek. Het toneelstuk ‘Nooit brengt een oorlog vrede’ vloeide daar uit voort. Duizenden informatieve boeken kan men op vandaag lezen over hoe de oorlog verliep en vele studies naar aanleiding van de herdenkingen rond de Groote Oorlog hebben nieuwe feiten aan het licht gebracht. Achter elke militair actie echter, steken ontelbare persoonlijke verhalen. Die kleine getuigenissen raken ons soms het meest, vooral als het gaat om een verhaal van iemand die woonde waar jij nu woont of waar je familie toen woonde.
De Elfnovembergroep helpt ervoor zorgen dat die getuigenissen niet verloren gaan.
Met mijn blog over het eigen familieverhaal probeer ik – heel bescheiden – net hetzelfde alsook de eigen familiegeschiedenis in te passen in de tijdslijn van wat toen gebeurde. Geen wonder dat ik meteen enthousiast was toen ik hoorde over de plannen van Elfnovembergroep voor een echte Gedachtenistuin Vluchtelingen in Westouter.
Op zaterdag 20 juni – Wereldvluchtelingendag – werd de tuin officieel geopend.

Gedachtenistuin Vluchtelingen Westouter - muzikale toets tijdens officiële opening

Gedachtenistuin Vluchtelingen Westouter – muzikale toets tijdens officiële opening

De tuin ligt langs de grindweg in de Hellegatstraat  te Westouter, ongeveer 300 meter van de dorpskern (langs het wandelparcours van het Tweebergenpad). Dat de tuin in Westouter ligt, is niet toevallig: tijdens de oorlog werden in Westouter ongeveer 2.000 vluchtelingen opgevangen, waaronder mijn grootvader Camille, op dat moment nog een jonge knaap. Het dorp telde toen zelf slechts een 900-tal inwoners! In april 1918 moest iedereen – vluchtelingen én inwoners – weg uit Westouter. De 900 inwoners werden zelf vluchteling.

Vluchtroutes in Gedachtenistuin Westouter

Vluchtroutes in Gedachtenistuin Westouter

Het grasveld van de tuin is omringd met lokale struiken en bomen. Wat de tuin tot een unieke gedachtenistuin maakt, is de wand met kastanjepaaltjes waar de vluchtroutes van meerdere families te volgen zijn. Onder een luifel kan je gedichten lezen van Dichter des Vaderlands Charles Ducal, waaronder zijn meest recente gedicht Vluchtelingen, dat als publicatiedatum Wereldvluchtelingendag 20 juni 2015 heeft.

Gedichten van Charles Ducal in Gedachtenistuin Vluchtelingen Westouter

Gedichten van Charles Ducal in Gedachtenistuin Vluchtelingen Westouter

Uit respect voor mijn familie, die het in die tijd heel lastig heeft gehad, liet ik ook hun vluchtroute opnemen in de Gedachtenistuin. Wie deze blog volgt, zal de vluchtroute herkennen alsook toch het leed om tijdens en omwille van de oorlog, een zoon en een dochter te verliezen:

Vluchtroute Severin Tiersen en gezin

Vluchtroute Severin Tiersen en gezin

In de Gedachtenistuin worden in de toekomst niet enkel vluchtroutes uit de Groote Oorlog opgenomen, maar ook vluchtroutes uit de 16de eeuw, routes uit WOII en meer recentere vluchtroutes. Vluchten is – jammer genoeg – van alle tijden. De tuin is inderdaad dus nog niet af. Wie dit wenst, kan de eigen familiale vluchtroute laten opnemen in de Gedachtenistuin. Voor meer informatie en voorwaarden kan je terecht op http://www.11nov.org/ of stuur een mail naar 11nov.org@gmail.com.

Tot besluit een stukje uit de tekst die door Marieke Demeester (secretaris Elfnovembergroep) werd uitgesproken tijdens de opening van de tuin:
‘(…) We hopen vooral dat wie hier komt niet alleen iets bijleert over vluchten in de Eerste Wereldoorlog maar ook een beetje geraakt wordt door de moeilijke situatie waarin vluchtelingen moeten proberen te overleven. Toen en nu. Hier en elders.’

Dank aan Elfnovembergroep en aan al wie aan de Gedachtenistuin mee werkte, voor dit initiatief. Dank ook aan mijn broer Peter, die in mijn plaats (ik genoot even van een weekje vakantie) de opening van de Gedachtenistuin bijwoonde en voor de foto’s zorgde voor deze blogpagina.

 

 

Article
0 comment

We werden opgeladen op de trein in beestenwagens en Frankrijk in.

De vluchtelingen kregen in het begin van hun verblijf hun maaltijden in het klooster van Melle

De vluchtelingen kregen in het begin van hun verblijf hun maaltijden in het klooster van Melle (actuele foto van het gebouw)

Vanaf 1917 werd het gezin van mijn grootvader Camille overgeplaatst naar Melle in Frankrijk. Deze kleine stad ligt in het departement Deux-Sèvres, ter hoogte van La Rochelle of Limoges, zo’n 650 km van Wijtschate.
Het kostte me meer dan een jaar wachten, maar mijn geduld werd beloond: vorige week stak een grote bruine envelop in de brievenbus met de poststempel van Mairie de Melle, Deux-Sèvres met informatie over de Wijtschatenaren, over hun verblijf aldaar van 1917 tot 1920.
Met zeer veel dank aan het stadhuis van Melle voor het opzoekingswerk.

Camille beschreef hun vertrek als volgt in zijn vluchtverhaal:
Op zekeren dag moesten wij naar de Wayenburg, Belgische secteur. Daar opgeladen op de trein, beesten wagens en Frankrijk in, tot Rouen. Daar overgeplaatst geweest met autocamions van het Frans leger met als chauffeur een jong meisje, van de eene kant van Rouen naar de andere kant om aan te komen in een verhoogde bergplaats waar paarden hadden verbleven. Mijn zuster Hélène was terug uit Paris door tussenkomst van het leger, want niemand kon het front naderen zonder bijzonder toelating. Dan verder Frankrijk in met de trein, een voyage van vier dagen. Aangezien onze transport bestond uit beesten wagens, hadden wij geen voorgang op de spoorwegen. Dikwijls was er gestopt en vele vertraging, vandaar onze reis van vier dagen en nachten. Tijdens de dag reden wij met open geschoven deuren ten einde iets te zien van de streek. In iedere statie stond de Burgemeester een deel van de vluchtelingen op te wachten en er een deel in ontvangst te nemen. Op de treeplank van onze wagen stond geschreven in kalk in grote letters: Melle sur Belle, wat zulks wilde beduiden weten wij niet. Toen de trein stil hield in de statie van Celle (noot: Camille bedoelt dorp Celles-sur-Belle vlak bij Melle), bemerkten wij een jongeling die op het perron aan het wandelen was. Ik en mijn kozijn Omer, die met ons mee waren, hadden de jongeling in de gaten en zagen dat hij ons niet vreemd was. Daar de stilstand van korten duur was in iedere statie, spraken wij hem aan en vernamen dat hij van Wijtschate was, wij vroegen hem wat dat wilde zeggen “Melle sur Belle”. Hij antwoordde moeten gij daar naar toe, en wij moesten ontkennend antwoorden. Indien gij daar naar toe moet, hewel, ik ga naar huis, neem mijn velo en zal daar zo gauw zijn als de trein. Inderdaad, het was zo.

Camille woonde samen met zijn ouders en zussen ongeveer drie jaar in Melle. Zo woonden ze ruime tijd in de Rue Saint Jean (wat zou ik graag ook nog het huis terug vinden waar ze verbleven, wie weet):

Begin Rue St Jean - Melle

Begin Rue St Jean – Melle

Fin Rue St Jean Melle

Einde Rue St Jean – Melle

 

 

 

 

 

 

Camille werd als jonge knaap – hij was 15 jaar toen ze in Melle arriveerden – op verschillende boerderijen tewerkgesteld. Zijn vader werkte als entonneur (tonnen vuller). Het stadhuis van Melle stuurde onderstaande foto door van de fabriek waar Severin werkte. Het gebouw bestaat niet meer en op dezelfde plaats staat inmiddels een chemische fabriek. Ik begrijp uit de uitleg die ik heb ontvangen, dat Severin in een distillerie aan de slag was, waar (suiker)bieten werden verwerkt.

Distillerie Melle anno 1920, waar Severin Tiersen werkte

Distillerie Melle anno 1920, waar Severin Tiersen werkte

La tonnelerie te Melle

La tonnelerie te Melle

 

 

 

 

 

Zoë, de zus van Camille, overleed aan de Spaanse griep in 1920, bij haar ouders thuis in de Rue St. Jean te Melle.

Uittreksel uit de registers van Melle, overlijden Zoë Tiersen

Uittreksel uit de registers van Melle, overlijden Zoë Tiersen

Alhoewel de herdenkingsplaat op het graf van hun ouders in Wijtschate anders laat vermoeden, is het jonge meisje dus wel degelijk begraven in Melle en kreeg ze omwille van de verre afstand vermoedelijk nooit familie op bezoek aan haar graf. Ik ontving ook een bladzijde uit het register van Cimetière St.Pierre, maar het is niet duidelijk of het graf nog terug te vinden is.

Camille beschreef hun verblijf in Melle gedetailleerd met veel verhaaltjes over het werk dat hij deed, echter zoals in zijn hele vertelling wel met namen maar zonder adressen. Al een hele tijd een uitdaging voor mij om ter plaatse te gaan kijken. Melle is echter niet bij de deur, het was wachten op meer informatie. Die stap is bij deze genomen.
Het klooster waar ze aten, de boerderij waar Camille werkte, de lokale markt die hij beschrijft, het graf van Zoë? Ik zou die plaatsen graag in ‘het echt’ zien.
Het verhaal van Camille alsook mijn verhaal in de voetsporen van mijn grootvader, ver weg in Frankrijk: wordt dus vervolgd.
Maar eerst: sparen voor een reis naar Melle.

Article
0 comment

In De Vetten Os en ander Vlaams net over de grens

Stappen in de voetsporen van je grootvader. Allemaal goed en wel, maar hoe organiseer je dat in de praktijk? Vorige week testte ik een nieuw systeem uit. Het gaat als volgt: met de auto naar het eindpunt rijden, fiets aflossen, terugrijden naar het vertrekpunt van de etappe, te voet stappen tot het eindpunt, met de fiets terug naar vertrekplaats. Ingewikkeld? Het vraagt vooral tijd, maar heeft twee voordelen: ik moet geen beroep meer doen op iemand om me te brengen en terug te halen én fysiek is het haalbaarder om na bijvoorbeeld 8 km stappen met de fiets terug te keren dan nog eens evenveel kilometers te voet af te haspelen. Ik ben wel wat sportief maar tenslotte ook geen twintig meer.

Handige knooppuntenkaart

Handige knooppuntenkaart

Het is de vluchtroute van mijn grootvader Camille tijdens de Groote Oorlog, die ik stap. Eerder wandelde ik al van Wijtschate naar Dikkebusvijver, van Dikkebus naar de verdwenen herberg Den Ondank in Westouter, daarna een hele korte wandeling van Den Ondank naar herberg De Kroone in Westouter – ook al een niet meer bestaand café – en de vorige tocht bracht me van Westouter naar de Catsberg. In 1915, eerste jaarhelft, verbleef Camille in Noord-Frankrijk, tijd dus 100 jaar na deze feiten, voor een nieuwe etappe. Eindpunt was dit keer de boerderij in Steenvoorde, waar Camille met het gezin als vluchteling verbleef. Ik was eerder al op bezoek op die vierkanthoeve, bij Jeanne-Marie, maar had de weg er naar toe nog niet te voet afgelegd.

Uitstelgedrag
Normaal gezien beschrijf ik de etappe die ik heb gewandeld nog dezelfde week. Voor het eerst echter, kost het me moeite, want ik had een behoorlijk verlaten en onwennig gevoel tijdens de tocht. De etappe begon op de Catsberg met als eindbestemming dus Steenvoorde.

Muur abdij Catsberg richting Godewaersvelde

Muur abdij Catsberg richting Godewaersvelde

Het begon goed: ik daalde gezwind de helling af richting Godewaersvelde en volgde hierbij de hoge bakstenen muur van de abdij. De lentezon en het uitdagend voorjaarsgetjirp van de vogels, een prachtig panorama aan de andere kant van de weg, het zou een fijne wandeling worden. Waar de muur ophoudt, hoorde ik echter een storend geluid op de achtergrond, ik kon het niet toewijzen. Met de knooppuntenkaart in de hand, stapte ik aan een stevig tempo verder: ik wandel altijd ’s morgens vroeg en heel erg warm was het nog niet. Ik besloot de kortste weg te nemen, mijn grootvader – die op de vlucht was voor de oorlog – zal niet de tijd hebben gehad om de mooiste paden te nemen.

Op weg naar Steenvoorde

Op weg naar Steenvoorde

De stilte van Heuvelland gewoon
Het gebrom in de lucht zwol aan. Wat was dat toch? Ik ken Steenvoorde amper, we reden er al wel dikwijls voorbij met de auto. Plots wist ik het: de autoweg A25 dwarst Steenvoorde. Die autoweg maakt de verbinding tussen Duinkerke en Rijsel en zorgt er ongetwijfeld voor dat veel inwoners van Steenvoorde heel snel of vlot op het werk geraken. Maar wat een lawaaihinder wordt hierdoor veroorzaakt! Na het afdalen van de Catsberg, kom je terecht in een vrij vlak landschap, met weinig groen. Het lawaai strekt dan ook bijzonder ver. Desolate schoonheid was de term die bij me op kwam. Ik stapte Godewaersvelde binnen dat een Village patrimoine blijkt te 20150407_bord Godezijn, dit is een label gelijkaardig aan het Charmante dorp label in de Westhoek: http://www.frans-vlaanderen.be/village-patrimoine.
Het heeft inderdaad wel charme, het dorp. Een mooi marktplein, en bovenal: sporen van de tijd waarin het dorp behoorde tot Vlaanderen.

 

Potjesvlees bestellen in het Vlaams
Midden in het dorp kwam ik voorbij het eerste element dat me er op wees dat ik aan het stappen was door Frans-Vlaanderen:

Hoe zou men dit uitspreken als men franstalig is?

Hoe zou men dit uitspreken als men Franstalig is?

'potje vlisj' uitgesproken?

‘potje vlisj’?

een echte Vlaamsche beenhouwerie, met de klinkende naam In de Vetten Os. Gesloten weliswaar en niet omwille van de sluitingsdag. Iets verder kon ik helemaal niet meer om de Vlaamse roots van de streek heen. Een uitdagend bord in de vorm van een wapenschild vraagt om een gesprek: Hier spreekt men Vlaams. Zou ik aanbellen en de proef op de som nemen? Zo’n durver ben ik ook weer niet, dus het blijft bij deze foto:

Godewaersvelde, een minimale kennis van het Vlaams is al nodig om je eigen dorpsnaam te kunnen uitspreken.

Godewaersvelde, een minimale kennis van het Vlaams is al nodig om je eigen dorpsnaam te kunnen uitspreken.

Buiten de dorpskom van Godewaersvelde, overviel me een verlaten gevoel. Net goed, dacht ik: je wil perse de weg stappen die je grootvader als vluchteling voor de Groote Oorlog aflegde, zo voel je toch een heel (maar dan ook héél) klein beetje hoe het moet zijn geweest. Er was wat ochtendmist – of was het smog van de A25 – aan het sluimeren over de akkers en ik zag niet eens de kerk van Steenvoorde. De knooppuntenkaart had ik al lang weggeborgen, het netwerk op de kaart die ik heb, houdt op in Godewaersvelde.

Even het noorden kwijt

Even het noorden kwijt

Voor het vervolg van de weg had ik wel een print screen mee van het wegennet rond Steenvoorde en omgeving, zo onvoorbereid ga ik nu ook alweer niet op weg. Maar als je aan een kruispunt geen straatnaambordjes vindt, is het even gokken. Ik koos gelukkig de juiste richting (en reed eerlijk gezegd verkeerd bij het terugkeren met de fiets). Het probleem was dat ik over die A25 moest geraken. 20150407_TegelstraeteNiet elke landelijke weg laat dit toe. Ik kwam voorbij het Bois des religieuses – geen idee waarom dit bosje zo noemt – en zag wat verder opnieuw sporen van de Vlaamse periode. De TegelStraete.


Bij Jeanne-Marie
De boerderij waar Camille samen met zijn ouders een aantal weken verbleef in 1915, doemde op in de verte. Jeanne-Marie, huidige bewoonster van de boerderij, wachtte me op. Een paar uur voordien had ik in haar voorplekke mijn fiets geparkeerd. Jeanne-Marie – bijna negentig jaar – heeft de winter goed doorstaan. Ze heeft wat koud gehad vertelde ze, maar ze is niet ziek geweest, geen enkele keer. Enkel wat artritis. Van op de ‘stikn’ te werken, verklaarde ze me. Ze heeft pijn in haar rug, vertelt ze, maar ze buigt ondertussen als een knipmes om de kit kolen op te nemen waarmee ze de kachel aanvult.
Ze spreekt Frans uiteraard, maar doorspekt met Vlaams dialect. Ze spreekt ook van ‘le boer’ in plaats van het effectieve Franse woord voor boer te gebruiken. Nog een rasechte Frans-Vlaamse. Ik legde haar uit welke weg ik had gevolgd van de Catsberg naar Steenvoorde aan de hand van de foto’s op mijn smartphone. Bepaalde plaatsen herkent ze, maar de meeste niet, zelfs niet dichtbij haar woonst. Ik ben niet geboren en niet opgegroeid in Steenvoorde, vertelt ze, ik ben getrouwd en heb heel mijn leven hard gewerkt op de boerderij. Ver is ze nooit geweest, ze had zelfs geen fiets en een auto heeft haar echtgenoot nooit gewild. Ze lijkt dit allemaal niet erg te vinden, en is – voor zover ik haar ken – heel gelukkig in haar vrijheid op de boerderij. Ze is niet van plan ooit naar een bejaardentehuis te gaan. Bij het naar buiten gaan valt de pijl in het hoefijzer bij de deur me op, alsof de maker het symbool heeft willen benadrukken: hier moet je geluk brengen. Bijna negentig jaar en een hele winter niet ziek zijn, als dat geen geluk betekent?

20150407_hoefijzer

 

 

Article
1 comment

De laatste weken van een Belgische brancardier

Merkem
Als je de website van het dorp opent http://www.merkem.be/, word je meteen geconfronteerd met een zwart wit foto uit 1917. Het dorp was in dat oorlogsjaar al herschapen in een landschap, waar je zelfs tijdens een ongevaarlijke nachtmerrie niet wil in rondzwerven.

Brancardier, 13e Linie, 11e Cie

Marcel Tiersen, Brancardier, 13e Linie, 11e Cie

Mijn grootoom Marcel, Belgische brancardier tijdens WOI, was gedurende meerdere maanden in die omgeving ‘aan het werk’. Zijn sterfdatum is onlosmakelijk verbonden met het dorp, want hij stierf op 17 april 1918, de datum die gekend staat als de Slag om Merkem.
Hoog tijd dus in deze herdenkingsperiode, om Merkem beter te leren kennen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Onderweg langs Vlaamse velden, in de voetsporen van een Belgische brancardier

Met een klein, maar zeer geïnteresseerd groepje, gingen we vorig weekend op stap met Miguel Bouttry van Rent a guide, die voor ons een gepersonaliseerde tocht uitwerkte, op basis van hetgene we weten over Marcel.
Marcel werd 18 jaar in 1916. Dit zal niet uitbundig zijn gevierd, want 18 jaar worden in oorlogstijd betekende opgeroepen worden tot het leger. Marcel woonde op dat ogenblik samen met zijn ouders, broer Camille en twee van zijn zusjes in Westouter, in een zelfgemaakte vluchtelingenbarak. Hij was net voor de oorlog afgestudeerd als onderwijzer, of hij was student onderwijzer, dat weten we niet precies. In ieder geval werd hij ingelijfd als brancardier bij de 13de Linie, 11e Cie van het Belgische leger. Over deze compagnie van de 13de Linie is niet zoveel terug te vinden, toch niet over die laatste maanden dienst van Marcel, ofwel heb ik nog niet grondig genoeg gezocht. Ze waren in ieder geval onder andere in Ramskapelle gelegerd, maar onze tocht stond in het teken van 1918, Marcel in sector Merkem – Langemark.

St. Bavo kerk Merkem

St. Bavo kerk Merkem

Niemandswater
Het werd al snel duidelijk tijdens de uitleg door Miguel, dat Merkem het zwaar te verduren kreeg tijdens de Groote Oorlog. Het dorp ligt dicht bij de IJzer en de Martjevaart vormt één van de grenzen van de gemeente. Het verhaal van de onderwaterzetting door de Belgen was dus nooit ver af. Niemandswater wordt wel eens als term gebruikt, weet Miguel ons te vertellen, voor het gebied tussen Merkem en Noordschote dat tijdens de Eerste Wereldoorlog onder water werd gezet.
In oktober 1914 werd al hevig om het dorp gevochten en in december van datzelfde jaar werden de laatste inwoners weggevoerd naar Torhout. Wie kon stappen, was al lang weg. De overgebleven bewoners waren de niet mobiele bejaarden en tien kloosterzusters. Het front stabiliseerde in 1915 en Merkem werd een zogenaamde rustsector, een sector zonder zware aanvallen.
Tot in 1917. Vanaf dan werd het een gevechtssector tot het einde van de oorlog.

Juli 1917
De Fransen namen sector Merkem opnieuw over van de Belgen. De Slag om Passendale was immers begonnen waarbij op dat moment uiteraard niemand wist dat de derde Slag bij Ieper in Passendale zou stranden. De bezette Vlaamse kust bereiken was het echte doel van deze grootschalige aanval, die door de Britten en de Fransen werd gelanceerd. Er waren plannen om het Belgische leger later te laten deelnemen, eens de geallieerden voorbij de lijn Diksmuide-Klerken-Bos van Houthulst zouden geraken. Deze doorbraak kwam er echter niet en zo werd het Belgische leger gespaard bij deze slag die onvoorstelbaar veel levens kostte.
Merkem kreeg in die periode een regen van naar men schat 2.000.000 granaten over zich heen, onnodig uit te leggen dat deze situatie voor elke militair, langs welke zijde ook, onmenselijk zwaar zal zijn geweest.
In de winter van 1917 – 1918, de laatste winter van Marcel, vielen de Duitsers de Belgische voorposten bij Merkem geregeld aan. Er kwam opnieuw beweging aan het front, dit maal van Duitse kant, de Duitsers die zich ten volle concentreerden op het Westelijke front na de Oktoberrevolutie in Rusland en de daaropvolgende vrede tussen beide landen. Nog zowat een paar miljoen granaten omwoelden Merkem en de dorpen erom heen.

Ferme Jesuïtengoed in WOI - uiteraard is dit niet hetzelfde gebouw

Locatie Ferme Jesuïtengoed tijdens WOI – uiteraard is dit niet hetzelfde gebouw

Het was nog niet gedaan. 17 april 1918.
Er was een Duits (niet geslaagd) offensief geweest eind maart, begin april bij Amiens (FR), gevolgd door een aanval bij Ieper. Op 17 april vond een grote aanval plaats bij Merkem, gericht tegen de Belgen. In diezelfde periode was ten zuiden van Ieper de Slag om de Kemmelberg (noot: die plaats vond op 25 april 1918) in voorbereiding, dicht bij de plaats dus waar de rest van het gezin van Marcel op dat moment nog altijd verbleef, de vluchtelingenbarak in Westouter.  De Duitsers wilden op die manier Ieper langs noordelijke en zuidelijke kant tegelijk aanvallen om zo uiteindelijk bij de Franse kust te geraken.

De Slag om Merkem

Locatie Post Aschhoop

Locatie Post Aschhoop

Miguel nam ons mee langs de locatie van Ferme Jesuïtengoed en Post Aschhoop. De Belgen verscholen zich onder andere op deze plaatsen, sinds november 1917. Tijdens de Slag om Merkem, 17 april 1918, werd om en bij die locaties hevig gevochten. De Duitsers namen deze plaatsen in maar later op de dag heroverden de Belgen diezelfde posten opnieuw. Miguel wijst ons op een vlag, midden in de velden. De vlag duidt de plek aan van de restanten van een Duitse bunker. Het is de Epernon bunker (noot: de bunker ligt op privé grond). De bunker lag dicht bij hoeve Epernon. Deze boerderij was geen eigendom van een familie Epernon, zoals je zou kunnen denken, neen: Epernon is een gemeente niet zo ver van Versailles en de boerderij kreeg deze naam door de Fransen toegewezen. Het was een algemeen verbreide gewoonte van de Fransen en de Britten om lokale plaatsen een naam toe te kennen die verwees naar een plaats uit hun eigen regio of geschiedenis.

Een restant van een Duitse bunker midden in de velden, toont aan waar de Duitse lijn zich bevond

Een restant van de Duitse ‘Epernon’ bunker in de velden te Merkem, toont aan waar de Duitse lijn bij post Aschhoop zich bevond

Het is vreemd te horen vertellen dat de Slag om Merkem een overwinning was van het Belgische leger, als je eigen grootoom daarbij om het leven kwam. Voor het Belgische leger was deze overwinning echter een grote morele opsteker, na zovele jaren een verdedigende positie te hebben ingenomen.
Marcel bevond zich die 17de april echter niet in Merkem zelf, maar in Langemark. De Slag om Merkem beperkte zich niet tot het grondgebied van die ene gemeente, maar strekte zich verder uit. We reden dan ook richting Langemark.

Duitse bunker Beekstraat Langemark

Duitse bunker Beekstraat Langemark

In de Beekstraat, even ten noorden van de Duitse begraafplaats te Langemark, bevindt zich een Duitse bunker uit de 2de linie. Een ander type bunker dan de ‘prefab’ bunkers die je in de Duitse begraafplaats wat verderop aantreft, die deel uitmaakten van de eerste Duitse linie.
Als je van bij die bunker in de Beekstraat in de richting van de dorpskern van Langemark kijkt, zie je een lichte helling. Zoals op zoveel plaatsen langs de frontlijn in de Westhoek, merk je maar al te goed hoe een miniem hoogteverschil aan één van beide partijen voordeel kon bieden. De beek in de Beekstraat zal overigens ook zijn rol hebben gespeeld. We reden verder tot bij het station van Langemark.

Eindstatie Langemark

Station Langemark - voor WOI kwam hier spoor Ieper - Torhout langs

Station Langemark – voor WOI kwam hier het treinverkeer Ieper – Torhout langs

Langemark is al heel vroeg in 1914 door de Duitsers bezet geworden. Het verhaal van de Studentenschlacht past niet in het verhaal dat ik vandaag breng. De gevechten waaraan tal van jonge Duitse onervaren studenten deelnamen, vonden trouwens niet in Langemark zelf plaats, maar wat verder weg (Miguel toont ons wat later de echte locatie van die veldslag, ergens tussen Bikschote en Noordschote).
Ons verhaal gaat over april 1918, toen een aantal eenheden van het Belgische leger dicht bij Langemark waren gelegerd. Marcel, mijn grootoom brancardier, was er aan het werk. Dit ontdekte ik een aantal maanden terug via de onuitgegeven biografie van chirurg Louis Ronse. Hij schreef het volgende:
“Vooral toen wij in Langemark zaten had ieder van ons de handen vol. Men vocht om de Kemmelberg. De Duitsers hadden een verwoed offensief ingezet en wij zaten benepen in een hoek bij het station van Langemark. Wij waren er gekomen op zaterdag 13 april en bezetten de molen, in oorlogstaal genaamd “Springfarm”.
Op 17 april 1918 had een verwoede aanval plaats op onze posten. Wij beleefden schrikkelijke momenten en mijn makker brancardier Marcel Tiersen werd nevens mij doodgeschoten, een bal door het hoofd. Wij voelden ons woest en ellendig doch bleven steeds bereid onze gekwetste makkers uit hun netelige toestand te redden. Hoeveel gekwetsten en doden wij tot bij de hulppost droegen of sleepten weten wij niet. De hulppost lag achter de Steenbeek en ik zie nog voor mijn ogen onze brave aalmoezenier, monsieur l’abbé Française, gebogen over de stervenden en ik hoor hem nog zeggen:”Non ce n’est pas permis!”. De dokters werkten slag om slinger om te helpen zoveel er te helpen viel.”
De biografie is te lezen op http://www.vuurwacht.be/exclusief/.

Steenbeek en Belgomilk

Marcel, de Belgische brancardier, droeg van uit deze velden wellicht honderden slachtoffers naar de hulppost, tot hij zelf zwaar gewond werd en heel snel overleed.

Peter_Steenbeekmolen

Heel dicht bij de plaats waar de brancardier gewond werd

We zijn dus bij het eindstation van Marcel aanbeland, eindstatie Langemark. Miguel heeft voor ons opgezocht waar de hulppost mogelijk kan zijn geweest. In deze velden, dicht bij de Steenbeek, niet ver van het station van Langemark, zal Marcel tijdens zijn laatste levensdagen zijn werk als brancardier hebben uitgevoerd. De exacte locatie van de Steenbeekmolen waar de hulppost lag – Springfarm genoemd door de Britten – is niet meer te duiden in het landschap. Misschien vind ik de precies locatie later nog terug, wie weet, dat is dan weer stof voor een nieuw blogbericht.
Dit is een heel confronterende plaats tijdens onze tocht.
Maar onze rondrit was nog niet ten einde. Gewonden – ook een gewonde brancardier – werden van het slagveld afgevoerd en via een evacuatieroute weg van het front gebracht. De verwonding van Marcel was bijzonder ernstig, een kogel in het hoofd. Op het overlijdensverslag van het leger, Certificat de décès, staat:
‘Est décédé pendant son transfert du poste de sécours à l’hôpital militaire de Beveren’.

Evacuatieroute
We rijden weg uit Langemark, richting Zuidschote, waar een Belgische eerstehulppost was gevestigd. Verder nog langs Abelenhof in Reninge, waar een chirurgische post was geïnstalleerd, zie Inventaris onroerend erfgoed – Abelenhof.
Uiteindelijk stoppen we – de rit heeft toch wel een vijfentwintig minuten geduurd en dit aan een rustig tempo langs de landelijke wegen – bij het vroegere rustoord De Klep. Dit rustoord werd tijdens de Eerste Wereldoorlog ingericht als Belgian Field Hospital, meer lezen: http://www.oorlogserfgoedalveringem.be/nl/hoogstade/militair-hospitaal-clep.html.
Miguel wijst ons op de inderdaad lange afstand die gewonden moesten afleggen tot wat toch enigszins als een ziekenhuis kon worden aanzien. En dat om te beginnen door middel van een draagberrie, daarna met wagens of karren, zonder enig comfort, of per spoor. Marcel heeft het hospitaal van Beveren niet levend gehaald. Eind 1916 werd in Beveren aan de IJzer een militair hospitaal gebouwd met een 25-tal barakken (toch behoorlijk groot: ongeveer 30 op 5m). Daar is niets meer van te zien.

Belgische begraafplaats West-Vleteren

Ingrid, Peter en Jurgen Tiersen bij het graf van grootoom brancardier Marcel Tiersen

Ingrid, Peter en Jurgen Tiersen bij het graf van grootoom brancardier Marcel Tiersen

Onze namiddag In de voetsporen van Marcel de brancardier zit er op. We eindigen heel logisch bij het graf van Marcel, helemaal achterin de begraafplaats van West-Vleteren. We zijn met zijn allen stil geworden door het verhaal. Het was en is echter bijzonder boeiend, de eigen familiegeschiedenis te kunnen situeren in de algemene Groote Oorlog geschiedenis.

Peter_Elke

En de volgende generatie wordt stilaan ook ondergedompeld in de familiegeschiedenis.

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

Article
1 comment

Een ruggegraat uit klei

In 1902 werd op dezelfde dag als vandaag – 26 februari – Camille geboren. Hij woonde in de Westhoek en was het vierde kind toen in het gezin, later volgde nog een zusje. Toen ik in de sixties als eerste kleinkind op de wereld kwam, had mijn opa Camille al twee Wereldoorlogen en een Koude Oorlog gekend. Qua levenservaring kan dat tellen.
Toch was hij niet gekraakt door het leven.
Hij was niet alleen mijn grootvader, maar ook mijn peter. Onlangs las ik over het project van ComingWorldRememberMe en een idee borrelde bij me op.
Dit project is als volgt: tijdens de periode 2014-2018 kunnen mensen van alle nationaliteiten beeldjes makendeel van CWRM in Kazematten te Ieper uit klei. Eén beeldje voor iedere gesneuvelde op Belgische bodem. Alle beeldjes zullen in 2018 samen deel uitmaken van de grote land art installatie (kunstwerk in de natuur) CWRM, die in de Palingbeek zal worden geplaatst. Wie zo’n beeldje maakt, wordt peter of meter van één van de ongeveer 600.000 personen van de Namenlijst, de lijst met slachtoffers van de oorlog in België.
Wie deze blog volgt, weet dat Marcel, de broer van Camille, in de Namenlijst is opgenomen want hij was brancardier-soldaat in WOI en sneuvelde jammer genoeg.
Alle info over het project vind je hier: ComingWorldRememberMe.

De geboortedag van Camille naderde en ik wilde iets doen om hem te herdenken.
Gisteren ben ik naar CWRM in Ieper geweest – gevestigd in de Kazematten – waar ik drie beeldjes heb gemaakt. Ik kon dus meter worden van drie namen uit de Namenlijst.
Ik heb de beeldjes echter niet uit eigen naam gemaakt. Camille, zijn vader Severin en zijn moeder Léonie, zijn nu officieel peter of meter van iemand uit de Namenlijst. In 2018 zal een onschuldige hand (waarschijnlijk eerder met hulp van computer software :-)) de peters en meters linken aan een willekeurige naam uit de namenlijst, ongeacht de nationaliteit. Héél benieuwd wie dat wordt. En nog méér benieuwd wie peter of meter zal worden van Marcel, mijn grootoom brancardier.

Voorbereidende uitleg door medewerker CWRMHet maken van de beeldjes is leuk en niet moeilijk. Eerst krijg je uitleg van een medewerker die effectief een beeldje maakt. Elk beeld heeft dezelfde vorm en stelt een persoon voor, die voorover gebogen op de knieën zit, in een beschermende houding zoals een foetus. Belangrijk is de ruggegraat op het beeldje, die symbool staat voor de sterkte van de mens.

De grondstof is een mengeling van Belgische en Duitse kleiDe grondstof is een mengeling van Belgische en Duitse klei.
Allereerst geef je wat vorm aan de ruwe blok klei, vervolgens pers je de klei in een gietijzeren vorm waarna je het model van het beeld al herkent. Je stempelt het beeld met het logo van ComingWorldRememberMe en je holt het uit. Dit laatste vraagt toch enige spierkracht…
20150225_CWXRM beeldje ruwe vorm zonder ruggegraatDan is het tijd voor de persoonlijke toets aan het beeld: het maken van de ruggegraat. Die staat ook symbool voor de veerkracht van de mens. Bij mijn beeldjes voor de veerkracht van opa Camille.

20150225_CWXRM beeldje ruggegraat makenDiezelfde namiddag was ook een groepje tieners beeldjes aan het maken. Het was het verjaardagsfeestje van één van hen, een workshop maakte deel uit van de namiddag met een groep vriendjes of klasgenoten. Twaalf jaar was de jarige, en ik vertelde hen dat mijn opa Camille twaalf jaar was toen de oorlog begon.  Ze maakten de beeldjes in alle sereniteit maar met veel enthousiasme. Wat later hoorde ik dat ze spontaan fictieve namen gaven aan hun beeldjes. Ze hebben de boodschap goed begrepen.

Resultaat van een uurtje met klei werken (een primeur voor mij): drie beeldjes, waarvan Camille en zijn ouders peter en meter zijn: Deze beeldjes worden in 2018 aan een persoon uit de Namenlijst gelinkt.Beste blog-lezer: je kan nog tot voorjaar 2018 peter of meter worden van iemand uit de Namenlijst. Misschien wordt iemand van jullie wel peter of meter van mijn grootoom Marcel, wie weet. Doen!